Dzesma - schoonheid
We vonden een heel klein hoopje kat, met een te lange nek, te grote oren, rare staakpootjes en een gezwollen wormbuikje. Heel aandoenlijk. (Van Midas Dekkers geleerd dat die grote ogen maken dat je moederinstinctklier alle beschermsappen aan het stromen zet en dat kleine dieren en kinderen daarom van die disproportioneel grote ogen hebben).
Ze past bijna in de palm van je hand. We noemen haar Dzesma, wat schoonheid betekent in het Ladakhi.
We gingen met de kleine naar het veterinarian hospital, waar een aardige dierendokter ons verzekerde dat met een zalfje voor de wond onder haar staartje, een vitaminenkuurtje en een anti-wormenpil het allemaal best goed zou komen. Gratis - service voor het diertje, zei hij. We dachten dat het kleintje een leuk zorg- en speelkameraardje voor Muis, de poes die we meenamen uit Ladakh, zou zijn. Muis wat nog steeds wat aangedaan van de aanvaring met de buurtkatten, katers, en kon wel wat opmontering gebruiken. Dachten we. Dat pakte heel anders uit. Muis bleek als de dood voor het kleine beest: blazen, zielig mauwen, boos mauwen en wegvluchten was wat ze deed.
Nu Muis terug is gekomen, bemiddelt Angmo tussen de twee katten: ze ontpopt zich als een ware kattenfluisteraar. Het gaat haar vast en zeker lukken om de dieren aan elkaar te laten wennen, of eigenlijk: om Muis ervan te overtuigen dat ze van dat kleine mormel Dzesma niets te vrezen heeft. Er wordt al niet meer geblazen. Er is hoop.


